Waarom een legionelladossier in coronatijden? Legionella blijft in elk geval altijd relevant voor elke gebouwbeheerder, maar het is zeker ook actueel – net dóór het coronavirus. Heel wat sanitaire installaties hebben door het “blijf in uw kot”-beleid immers op een erg laat pitje gestaan of werden zelfs uitgezetIn dit artikel kijken we eerst naar de algemene wetenswaardigheden over legionella (1.). In het tweede deel ligt de nadruk op het herstarten van sanitaire installaties na de “corona-lockdown”, en waar de gebouwbeheerder op moeten letten om de gezondheid van de gebruikers van de gebouwen in zijn/haar portefeuille te vrijwaren (2.) 

Voor dit dossier is gebruik gemaakt van artikels op de website van het WTCB en de expertise en het advies van specialisten bij het WTCB. Voor alle verdere informatie over heropstarten na een periode van stilstand door de COVID-19-maatregelen in de professionele context kun je terecht op de website van het agentschap Zorg en Gezondheid van de Vlaamse overheid.  

 

     1. Inleiding: dlegionellaproblematiek 

België maakte ruim twintig jaar geleden kennis met de legionellakiem, die sindsdien niet meer uit het aandachtsveld verdwenen is. Legionella is een bacterie die in verschillende watersystemen kan voorkomen waaronder sanitaire installaties, koeltorens, fonteinen, bevochtigingssystemen enz. Wanneer de omstandigheden gunstig voor groei verenigd zijn, kan deze bacterie zich vermenigvuldigen in de installatie. 

Een besmetting met legionellakiemen kan leiden tot longontsteking (Legionellose of Veteranenziekte) of tot een gripaal syndroom (Pontiac Fever). Deze besmetting vindt plaats via het inademen van de bacterie aanwezig in zeer kleine druppeltjes water (aerosol) die door verneveling in de lucht terecht kunnen komen, bijvoorbeeld bij het douchen. (Bron: De Cuyper K, Legionella: nog steeds een probleem in onze waterinstallaties, 2017). 

De beschikbaarheid van proper en drinkbaar water in onze gebouwen wordt als vanzelfsprekend beschouwdHet is belangrijk om het water voldoende te verversen om aan de hygiënische kwaliteit ervan te kunnen voldoen. 

De Legionella-kiem groeit in water met een temperatuur tussen 20 en 50 °C. Deze groei verloopt het snelst bij temperaturen tussen 35 en 40 °C. Onder de 20 °C vermenigvuldigt de kiem zich niet en boven de 55 °C sterft ze af. Naarmate de temperatuur stijgt, zullen de kiemen sneller afsterven. Belangrijke groeibevorderende factoren zijn: 

  • Stagnerend water (bv. doodlopende leidingen of te weinig gebruikte tappunten, zoals bij stilstand van de installatie); 
  • De aanwezigheid van voedingsstoffen (t.g.v. corrosie); 
  • Kalkvorming. 

Het Vlaams Legionellabesluit stelt dat de watervoorzieningen in publiek toegankelijke ‘matig- en hoogrisico-inrichtingen’ gebouwd en geëxploiteerd moeten worden volgens de Best Beschikbare Technieken (BBT). In § 3.1.3.9.a van het handboek Best Beschikbare Technieken voor Legionellabeheersing (BBT) wordt beschreven hoe een warmwaterinstallatie in een school na een periode van inactiviteit (bv. tijdens een vakantieperiode) opnieuw opgestart moet worden. Naar aanleiding van de maatregelen genomen ter beperking van de verspreiding van COVID 19, worden heel wat installaties weinig gebruikt of buiten dienst gesteld. Om het gezondheidsrisico van Legionella tot een minimum te herleiden, moet men een aantal eenvoudige maatregelen treffen vóór de installatie weer in gebruik kan genomen worden. Het Agentschap Zorg en Gezondheid heeft, in samenwerking met het WTCB, hiertoe en procedure opgesteld. De voorschriften in deze procedure zijn gebaseerd op deze eis en op enkele bijkomende recente onderzoeksresultaten. 

 

Koud water moet koud blijven 

Koud water komt het gebouw meestal binnen op een temperatuur van minder dan 20 °C. Wanneer er geen water afgetapt wordt, kan de temperatuur van de binnenleidingen echter oplopen tot de omgevingstemperatuur. Indien deze leidingen zich in een verwarmde omgeving bevinden, zoals in een stookplaats of in een technische koker waarin er ook verwarmingsbuizen gelegen zijn, kan de watertemperatuur uitstijgen tot boven 25 °C. Het plaatsen van koude leidingen in verwarmde kokers is dus zeker uit den boze. In stookplaatsen moet hun lengte bovendien tot het strikte minimum beperkt worden en heeft men er alle belang bij om de temperatuurstijging in het lokaal te limiteren. Men mag er dan ook in geen geval koudwaterverdeelcollectoren, buffertanks, opvoerpompen of waterverzachters opstellen. 

Men moet er ook op toezien dat de verdeelleidingen niet overgedimensioneerd worden, omdat dit tot onvoldoende doorspoeling leidt. Uit WTCB-metingen (zie de WTCB-Dossiers 2015/2.15) is gebleken dat men de beste resultaten bekomt door de richtlijnen uit de norm DIN 1988-300 te volgen. Daarnaast moet men absoluut vermijden om de leidingen te dimensioneren op basis van eventuele toekomstige uitbreidingen. 

Warm water moet warm zijn 

Volgens nagenoeg alle aanbevelingen moet de temperatuur waarop sanitair warm water geproduceerd en verdeeld wordt, 60 °C bedragen. Bij de kringvormige verdeling die men meestal toepast in grotere installaties met centrale warmwaterproductie, moet men er bovendien voor zorgen dat de temperaturen nergens onder de 55 °C zakken. 

Eventuele legionellaproblemen in deze installaties zijn doorgaans te wijten aan een slechte doorstroming van de verschillende parallelle lusvormige vertakkingen, met name (maar niet enkel)  tijdens aftapluwe periodes. Dit is het gevolg van het feit dat de installatie hydraulisch niet ingeregeld is. In tegenstelling tot bij de verwarmingsinstallaties, blijkt de noodzaak van het hydraulisch uitbalanceren bij sanitaire systemen niet voldoende gekend te zijn. Dit is nochtans een van de belangrijkste oorzaken van legionellagroei in de installatie. Bijgevolg dienen zowel de ontwerper als de installateur hier vanaf het ontwerp de nodige aandacht aan te besteden. 

Zo moet de ontwerper de verdeelkring zo eenvoudig mogelijk ontwerpen en complexe kringen (met onderverdelingen) vermijden. Na de correcte dimensionering van de kring moet het debiet bepaald worden dat in de periodes zonder aftap het geheel op temperatuur moet houden. Dit moet zo berekend worden dat het de warmteverliezen van de circulatiekring compenseert, zonder dat de temperatuur van het water meer dan 5 °C daalt (vertrek op 60 °C, retour op 55 °C). Men heeft er dan ook alle belang bij om de circulatieleidingen goed thermisch te isoleren. Vervolgens moet er een aangepaste circulatiepomp gekozen worden en moet er op elke parallelle vertakking een aangepaste inregelafsluiter voorzien worden. Het drukverlies dat op de afsluiter ingesteld moet worden, dient voor elke vertakking berekend te worden (ook bij thermostatisch gestuurde regelventielen) en na de plaatsing correct ingesteld te worden. Tot slot moet de uitbalancering gecontroleerd en zo nodig bijgesteld worden. 

De tappunten moeten gebruikt worden 

Een groei van legionella in de installatie kan evenzeer te wijten zijn aan stagnatie door een gebrekkig gebruik van de tappunten, bijvoorbeeld omdat bepaalde ruimtes in onbruik geraakt zijn (bv. gemeenschappelijke personeelsdouches). Als dergelijke tappunten niet afgekoppeld kunnen worden, moet men overgaan tot een manuele spoeling (minstens eenmaal per week). Dit is zeer kostelijk en wordt meestal niet lang volgehouden. De ontwerper kan evenwel maatregelen treffen die toelaten om waterstagneringen te vermijden, zoals het voorzien van automatische spoelkranen, het in serie schakelen van de tappunten van de badkamer (waarbij de meest gebruikte punten op het einde van de open kring komen te staan) of het opnemen ervan in een kringleiding rond een venturivoorziening (zie de WTCB-Dossiers 2009/4.16). 

Wat met antilegionella­behandelingen? 

Wanneer men een legionellaverontreiniging vaststelt die niet verholpen kan worden door een aanpassing aan de installatie, kan men zijn toevlucht nemen tot een antilegionellabehandeling (doorgaans een chemische of elektrochemische desinfectie) – mits ministeriële goedkeuring (in Vlaanderen)Hiermee dient men echter zeer voorzichtig om te gaan: de aan het water toegevoegde stoffen moeten immers aan bepaalde concentraties beantwoorden om geen gezondheids­effecten teweeg te brengen en geen leidingschade te veroorzaken. Het is verplicht in Vlaanderen om de installatie correct te ontwerpen en te beheren volgens de BBT. Indien dit onmogelijk is voor een bestaande installatie kan men gebruik maken van een alternatieve techniek, zoals antilegionellabehandelingen. 

 

Legionella is dus nog steeds een probleem, zeker in grotere waterverdeelinstallaties. De toepassing van een aantal lang gekende basisregels bij het ontwerp en het gebruik van deze installaties kan dit probleem verhelpen. Op die manier kan men het gebruik van alternatieve legionellabehandelingen achterwege laten.  

  

     2. Procedure voor de heropstart van sanitaire installaties na een periode van inactiviteit 

Deze procedure werd opgesteld in opdracht van het Agentschap Zorg & Gezondheid ter ondersteuning van de bedrijven en beheerders van publiek toegankelijke gebouwen (bv. zwembaden, scholen, sportcentra, hotels, wellness– en vakantiecentra) waarvan de sanitaire installatie tijdelijk buiten werking is. Hieronder worden een aantal praktische regels voorgesteld voor de heropstart van deze installaties (BronBleys B. en Dinne K., Procedure voor de heropstart van sanitaire installaties na een periode van inactiviteit, 2020). 

 

Actuele context 

Door de maatregelen, genomen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, werden een groot aantal gebouwen (deels) gesloten. Hierdoor worden ook de sanitaire installaties in deze gebouwen niet of slechts gedeeltelijk gebruikt. Dit kan een weerslag hebben op de kwaliteit van het drinkwater en het risico op legionellakiemgroei doen toenemen. Om dit gezondheidsrisico tot een minimum te beperken, moet men een aantal eenvoudige maatregelen treffen alvorens de installatie weer in gebruik te nemen of open te stellen voor het publiek. Deze procedure geeft een overzicht van de te volgen stappen en voorschriften voor de verschillende delen van de installaties. Deze procedure is niet van toepassing op installaties waarvan de systemen voor de productie en distributie van sanitair warm water op temperatuur gehouden werden en waarvan het water in de leidingen minstens wekelijks ververst werd (bv. installaties met een automatisch spoelsysteem). 

Definities 

Spoelen: de inhoud van een leiding verversen om de hygiënische waterkwaliteit te verbeteren. 

Thermisch desinfecteren: het water in de leiding gedurende een bepaalde tijd op een op een temperatuur van meer dan 60°C brengen om de binnenkant van de leidingen en kranen te ontsmetten. 

Drinkwaterkwaliteit 

Wanneer water gedurende een bepaalde tijd stilstaat in de leidingen, neemt het stoffen op die hiervan afkomstig zijn. Het kan gaan om lood, maar – afhankelijk van de samenstelling en de hardheid van het water – ook om ijzer, zink of koper. Bij stilstaand water vormt er zich aan de binnenwand van de leidingen bovendien een biofilm waarin bacteriën zich optimaal kunnen ontwikkelen. Het is dus belangrijk om het water in de installatie te verversen om de hygiënische waterkwaliteit bij de heropstart ervan te verzekeren (zie afbeelding 1). In een recent Duits document en een Europese richtlijn van 2017 worden ook enkele eenvoudige methodes beschreven om sanitaire installaties na een periode van inactiviteit te spoelen. De voorschriften in deze procedure zijn hierop geïnspireerd. 

Heropstart van de sanitaire installatie 

Alvorens een sanitaire installatie opnieuw in gebruik genomen kan worden, moet men: 

  • De koudwaterleidingen spoelen volgens de voorschriften in § 2.1 
  • De productie en distributie van sanitair warm water (SWW) opnieuw opstarten volgens de voorschriften in § 2.2. Hiertoe moet men: 
  • Deze systemen thermisch desinfecteren volgens de voorschriften in § 2.2.1; 
  • De uittapleidingen voor sanitair warm water spoelen volgens de voorschriften in § 2.2.2. 

Het is belangrijk om de verschillende stappen in deze volgorde uit te voeren. 

2.1 Spoelen van de koudwaterleidingen  

Bij het spoelen van de koudwaterleidingen moeten de kranen volledig geopend worden en moet men blijven spoelen totdat men een stabiele koudwatertemperatuur bereikt heeft. Hierbij moet men eerst de kranen openen die zich het verst van de aansluiting op het drinkwaternet bevinden. Vervolgens moet men naar de gebouwaansluiting toe werken. 

Het is aangeraden om aerosolvorming door opspattend water zo veel mogelijk te voorkomen door bijvoorbeeld een spons of een ander absorberend materiaal onder de straal te plaatsen en douchekoppen vóór de spoeling te demonteren. Bij niet-demonteerbare douchekoppen kan men rond de douchekop een zak aanbrengen waarin één opening voorzien is.

2.2 Opnieuw opstarten van de productie en distributie van sanitair warm water 

2.2.1 Thermische desinfectie van de SWW-productie en de eventuele circulatieleiding 

Vóór de ingebruikname van de installatie moet de SWW-productie gedurende minstens één uur op 65 °C gebracht worden. Indien er een SWW-circulatie aanwezig is, moet men ook in alle delen van de primaire en eventuele secundaire kringen een temperatuur van 65 °C bereiken. Bij aanwezigheid van secundaire kringen volstaat het met andere woorden niet om alleen de temperatuur in de retourleiding te meten. Bij ‘matig- en hoogrisico-inrichtingen’ moet men erop toezien dat het volledige boilervolume op 65 °C gebracht wordt. Hiervoor moet er een destratificatiepomp geïnstalleerd worden. Dit zou normaal gezien al het geval moeten zijn bij installaties die ontworpen en uitgevoerd werden volgens de BBT ‘Legionella’ (versie 2007 of 2017). 

Verder is het in deze inrichtingen eveneens aanbevolen om na te gaan of er op de koudwatertoevoer van het warmwaterproductiesysteem een expansievat aanwezig is. Als dit het geval is, moet dit verwijderd worden. Het is wel mogelijk om op de vertrekleiding van het sanitair warm water na de boiler of op de destratificatielus een doorstroomexpansie-vat te installeren. De installaties die ontworpen en uitgevoerd werden volgens de BBT ‘Legionella’ (versie 2017) zouden al over een dergelijk vat moeten beschikken. 

2.2.2 Spoelen van de uittapleidingen voor sanitair warm water 

Na de heropstart van de systemen voor de productie en distributie van sanitair warm water moeten alle tappunten tijdens de opstook naar 65 °C gedurende minstens drie minuten geopend worden. Tijdens deze spoeling dient men wel rekening te houden met het risico op brandwonden. Aangezien niet het watervolume, maar wel de contacttijd van het materiaal met het hete water van tel is, volstaat een beperkt debiet (waterstraal met de dikte van een potlood). Er gelden geen eisen met betrekking tot de volgorde van het openen van de tappunten. Het is wel belangrijk dat de temperatuur (65 °C) aan het tappunt tijdens de spoeling aangehouden wordt en dat het warmwaterproductiesysteem de vraag kan volgen. 

 

Heringebruikname 

Na de heropstart van de installatie moet deze opnieuw klaargemaakt worden voor een normaal gebruik door onder meer: 

  • De productietemperatuur van het sanitair warm water te verlagen naar de gebruikelijke temperatuur (minstens 60 °C) 
  • De douchekoppen opnieuw te monteren 
  • De thermostatische kranen opnieuw in te stellen.  

Tot slot is het ook aanbevolen om na de heropstart minstens één staal van het koude water en één staal van het sanitair warm water te nemen om na te gaan of de eventuele legionellaconcentraties onder de 1.000 KVE/l liggen (zie ook het Vlaams Legionellabesluit van 9 februari 2007). 

 

Het WTCB stelt alles in het werk om de betrouwbaarheid van de gepubliceerde informatie te garanderen, rekening houdend met de stand van de regelgeving en de kennis op het moment van publicatie van de artikels. Het Centrum kan echter niet verantwoordelijk gesteld worden voor het gebruik dat ervan gemaakt zou kunnen worden. Het in dit artikel gegeven advies ontslaat de lezer niet van de verplichting om zich te houden aan de geldende regelgeving.