Vocht in gebouwen kan verschillende oorzaken hebben. Het opsporen en diagnosticeren ervan is immers complex. Net als het bepalen van de juiste oplossing. Dit artikel slaat een brug tussen deze problematiek en de verschillende oplossingen die voorhanden zijn. Auteurs zijn Michael de Bouw, Samuel Dubois, Sandrine Herinckx en Yves Vanhellemont – Laboratorium Renovatie, Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB).

 

De fysica van vocht in steenachtige materialen

Steenachtige materialen die in oude en recente gebouwen worden aangetroffen, hebben zeer fijne, doorgaans onderling verbonden openingen, die het materiaal doorkruisen. Deze openingen noemen we poriën. De structuur die ze vormen, is erg complex en bepalend voor bijzonder veel materiaaleigenschappen: hoeveel vocht ze kunnen opnemen, hoe snel dat gebeurt, hun weerstand tegen verwering, … Als poriën in contact komen met water, zullen ze dit water opzuigen.
Het principe van capillariteit werd lang geleden beschreven door Leonardo Da Vinci en werd in 1805 gekwantificeerd door de wetenschappers Thomas Young en Pierre-Simon Laplace in de zogenaamde Young-Laplace vergelijking. De capillairen in baksteen kunnen volgens deze vergelijking water tot 10 à 15 meter omhoog laten bewegen – tegen de zwaartekracht in. Uit deze vergelijking volgt ook dat fijnporeuze materialen het vocht uit grofporeuze materialen opzuigen. Het gevolg daarvan is dat een steenachtig materiaal niet rechtstreeks in contact met water moet staan om vochtig te worden. Contact met vochtige grond is voldoende voor een metselwerk om vochtig te worden: de capillairen van de steen zijn immers fijner dan die van aarde of zand.

 

Vocht in gebouwen
Opstijgend vocht is natuurlijk niet de enige vochtoorzaak in gebouwen. Lekken in leidingen, dakgoten, daken, infiltraties via gevels, hygroscopisch gedrag van materialen, koudebruggen (condens), spatwater, enz., maken een goede vochtdiagnose niet eenvoudig. Bij recentere gebouwen komen daar nog allerhande problemen bij rond verkeerd geplaatste muurmembranen, spouwmuren en ontoereikende ventilatie. Een goede visuele diagnose (soms na gedeeltelijke demontage van bepaalde elementen), aangevuld met metingen, zijn in veel gevallen onontbeerlijk om een volledig beeld van het vochtprobleem te krijgen. Dat is nodig aangezien elk vochtprobleem een specifieke oplossing vergt: een breedspectrumoplossing voor vocht bestaat vooralsnog niet.

 

Schade door vocht

Het vochtgehalte in gebouwen dient zoveel mogelijk beperkt te worden. Vocht kan rechtstreeks schade veroorzaken door materialen te vervormen, maar ook doordat vochtige materialen kunnen kapotvriezen, aangetast worden door schimmels, mossen of andere organismen, of beschadigd kunnen raken door zoutkristallisatie. Een vochtig gebouw is ook een energievretend gebouw: vochtige muren geleiden meer warmte naar buiten en koelen af door de verdamping van water. Het droogmaken van een gebouw volstaat doorgaans niet om aan de heersende energienormen te voldoen, maar is wel een noodzakelijke eerste fase in dit proces. Bovendien is een vochtig gebouw onaangenaam en vaak zelfs ongezond om te bewonen – niet alleen door de permanent hoge luchtvochtigheid, maar ook door de schimmelgroei die ermee gepaard gaat.
Verschillende vochtproblemen kunnen elkaar versterken of komen samen voor. Muren die last hebben van opstijgend grondvocht komen typisch samen voor met vochtige vloeren, indien deze vloeren direct op volle grond liggen. Maar men mag ook geen té sterke verbanden maken. Zo is het onzinnig om te stellen dat condensatie steeds te maken zou hebben met vochtige vloeren. Dat kán een oorzakelijk verband hebben, maar het is waarschijnlijker dat condensatie gekoppeld is aan een overmatige vochtproductie en/of koudebruggen of onvoldoende isolatie en/of een ontoereikende ventilatie. Op dezelfde manier is het ook onzinnig om te stellen dat koude vloeren altijd vochtige vloeren zijn. Een ontoereikend geïsoleerde droge vloer zal ook ‘koud’ zijn.

 

Vochtdiagnose
Het stellen van een correcte vochtdiagnose is niet simpel: heel wat verschillende vochtoorzaken leiden immers tot heel gelijkaardige schadefenomenen, wat het moeilijk maakt om die oorzaken van elkaar te onderscheiden. Het is steeds belangrijk om eerst een uitgebreide visuele controle te doen van het hele gebouw. Die gaat van de kelder, langs de gevels en het schrijnwerk, naar het dak. Deze informatie moet aangevuld worden met inlichtingen vanwege de inwoners of gebruikers van het gebouw. Wanneer treedt de schade op? Verandert de intensiteit in de loop van de dag of het jaar? Is ze eventueel verbonden met werken die in de omgeving werden uitgevoerd? In combinatie hiermee moeten vochtmetingen uitgevoerd te worden.

Een typemeting waar elke aannemer over moet beschikken, zijn de snelle, indicatieve vochtmetingen op basis van de elektrische eigenschappen van de materialen. Resistieve of capacitieve metingen zijn niet-destructief en geven snel aan waar de problemen voorkomen. Ze zijn echter indicatief, vooral omdat ze een beperkte meetdiepte hebben en beïnvloed worden door aanwezigheid van metalen of zouten. Hierdoor moeten ze meestal ook gecombineerd worden met directe vochtmetingen. Directe vochtmetingen gebeuren in de praktijk vaak met carbidemetingen die snel zijn en een betrouwbaar vochtgehalte van materialen opleveren. Er bestaan ook valabele alternatieven, zoals gravimetrie. Ook deze directe vochtmetingen behoren eigenlijk tot de basisuitrusting van een aannemer die vochtproblemen aanpakt.

Een andere basistest is het detecteren van de aanwezigheid van bepaalde zouttypes. Vooral nitraat- of chloridezouten kunnen aanleiding geven tot de aanwezigheid van hygroscopisch vocht, los van enige andere vorm van vochtaanvoer. De detectie van deze types zouten gebeurt snel aan de hand van zoutidentificatiestrookjes. Dit resulteert in een indicatieve meting, die soms aangevuld moet worden met uitgebreidere laboproeven. Metingen die de evolutie van luchttemperatuur en -vochtgehalte meten, en metingen van oppervlaktetemperaturen, zijn veel minder evident voor individuele bedrijven. Hiervoor kan een beroep worden gedaan op bouwexperts, of op de diensten van onder meer het WTCB.

 

Opstijgend grondvocht
Zoals hierboven beschreven, is opstijgend grondvocht verbonden aan vocht in de grond dat door muren wordt opgezogen. Dat vocht kan rechtstreeks afkomstig zijn uit het grondwater of uit de capillaire zone boven het grondwater. Ook regenwater dat in de grond sijpelt, kan door muren geabsorbeerd worden. Na absorptie wordt het water getransporteerd naar drogere muurdelen, die hoger liggen. Eens het vocht boven het maaiveld uitkomt, spreken we van opstijgend grondvocht. In theorie kan het vocht 15 meter hoog opstijgen in metselwerk, maar zover komt het in de praktijk niet: het vocht verdampt voordat het die hoogte bereikt. De typische stijghoogte van grondvocht is een meter, maar dat kan hoger uitvallen als er drogingremmende afwerkingen op de muren werd aangebracht (bitumen, compacte natuursteen, tegels, voorzetwanden, cementeringen, …). Dit mechanisme is expliciet gemeten met NMR-technieken en door het toepassen van spoorstoffen die in het metselwerk worden geïnjecteerd. Daarna kan men detecteren waar deze stoffen heen gaan.

 

Opstijgend grondvocht is een fenomeen dat voorkomt in gebouwen die niet voorzien zijn van een vochtkering aan de muurvoeten, én waarbij er voldoende vocht aanwezig is om door te dringen. Dit komt vooral voor in gebouwen van vóór het midden van de 20e eeuw – ongeveer een derde van het huidige Belgische woningenbestand. Bij deze woningen is het risico op opstijgend grondvocht groot, maar zeker geen 100%. Het is wel mogelijk dat opstijgend grondvocht ook voorkomt in recentere gebouwen. Doorgaans heeft dat te maken met bouwgebreken ter hoogte van de vochtkering bij de muurvoeten. Soms wordt gezegd dat ingrepen tegen opstijgend grondvocht slechts matig tot soms zelfs helemaal niet doeltreffend zijn. Die perceptie bestaat vooral omdat er geen rekening wordt gehouden met voldoende drogingstermijnen, en omdat hygroscopische zouten ook na de interventie nog steeds aanleiding geven tot vochtproblemen. We willen benadrukken dat, hoewel deze zouten bijzonder vaak samen voorkomen met opstijgend grondvocht, het gaat om twee verschillende vochtoorzaken: een interventie tegen opstijgend grondvocht zal de pathologie van hygroscopische zouten niet laten verdwijnen, en omgekeerd.

 

Remedies tegen opstijgende grondvocht
Directe interventies
Elk vochtprobleem heeft een specifieke set van oplossingen. Als er meerdere vochtproblemen in een gebouw aanwezig zijn, zal een interventie tegen opstijgend grondvocht dus niet alle problemen oplossen. Vloeren op volle grond zullen bijvoorbeeld niet droog worden door opstijgend grondvocht aan te pakken. Het is anderzijds wel mogelijk dat bepaalde condensatieproblemen zullen verminderen als er geen opstijgend grondvocht in het gebouw meer is. Hierdoor verlaagt immers ook de vochthoeveelheid in de lucht, aangezien het opstijgend grondvocht niet meer hoeft te verdampen in de binnenruimte. De meest efficiënte ingreep tegen opstijgend grondvocht is om het vocht totaal te blokkeren. Dat gebeurt door het inbrengen van een mechanische barrière aan de muurvoeten (vaak aangeduid als ‘onderkappen’ of ‘onderzagen’), of door het injecteren van producten die het metselwerk waterwerend maken. In de praktijk zien we vooral de toepassing van injecties. De correcte uitvoering van een injectie vereist de beheersing van veel parameters, die we in deze tekst niet kunnen behandelen. We leggen wel de nadruk op een goede keuze van een injectieproduct: niet alleen de efficiëntie van het product is hierbij van belang, maar bv. ook de kwaliteit van het metselwerk en de aanwezigheid van gebruikers in het gebouw tijdens en kort na de werken.

 

Afdichting van metselwerk
Het gaat hier om afwerkingen die op vochtig metselwerk worden geplaatst om de effecten van het vocht te verminderen of compleet te stoppen. Hierbij wordt niet de oorzaak van het vochtprobleem aangepakt! In veel gevallen is een dergelijke interventie perfect te verantwoorden, maar het aanbrengen van vocht- en dampondoorlatende afwerkingen kan het vochtprobleem verplaatsen. Afwerkingen van het type ‘saneerpleister’ kennen dit nadeel niet, maar hier dient wel rekening gehouden te worden met een beperktere duurzaamheid van de afwerking. Deze methodes worden best niet gebruikt indien de vochtinterventie dient als voorbereiding op bijvoorbeeld energie-optimalisering van het gebouw.

 

Andere oplossingen
Diverse andere methodes zijn ontwikkeld om opstijgend grondvocht tegen te gaan. Het gaat om verdamping bevorderende ingrepen, of interventies van het elektromagnetische type. Het is niet de bedoeling om deze methodes in dit artikel te behandelen. De auteurs dat bepaalde van deze interventies aantoonbaar te weinig effect hebben, of dat er momenteel te weinig ervaring is met de doeltreffendheid van de methode.

 

Bijkomende informatie
Relevante technische informatie over vocht in gebouwen en opstijgend grondvocht in het bijzonder, staat in Technische Voorlichting 252, die handelt over vocht in gebouwen. Dit praktische document werd opgesteld in samenwerking met aannemers, producenten en wetenschappelijke instituten uit binnen- en buitenland. Het is te downloaden via de website van het WTCB, www.wtcb.be. Deze website biedt, onder de rubriek TechCom, een lijst van behandelingsproducten voor opstijgend grondvocht. Een aantal van deze producten beschikt over een technische goedkeuring, uitgegeven door de Belgische Unie voor technische goedkeuring in de bouw (BUtgb of www.butgb.be).